Boeken
Mirjam Mous

Password

Superspannende jeugdthriller van de auteur van Boy 7!
Mick treft zijn beste vriend Jerro bewusteloos aan op diens slaapkamer. Snel laat hij een ambulance komen. Omdat hij geen familie is, mag hij niet met Jerro in de ambulance meerijden naar het ziekenhuis. Maar als hij daar even later naar zijn vriend informeert, wacht hem een vreemde situatie.

Stefan wordt na schooltijd opgewacht door een onbekende man. Hij vertrouwt het niet en gaat ervandoor. Wat wil die kerel van hem? Wanhopig probeert hij zijn achtervolger af te schudden.

De levens van de drie jongens raken op bizarre wijze met elkaar verweven. Vreemde gebeurtenissen volgen elkaar snel op en Jerro en Stefan lopen groot gevaar. Langzaam komt Mick achter de ontstellende waarheid…
239 afgedrukte pagina’s
Oorspronkelijke uitgave
2012
Jaar van uitgave
2012
Hebt u het al gelezen? Wat vindt u ervan?
👍👎

Citaten

    lucas de vriesciteerde uit2 maanden geleden
    ‘Ben je daar nu al?’ Zijn moeder had haar jas nog aan. Ze bekeek Mick onderzoekend. Sommige mensen kunnen handlezen, maar zij las zijn gezicht. ‘Is er iets?’

    ‘Jerro.’ Mick voelde ineens hoe moe hij was. Hij liet zich op de keukenstoel zakken en boog voorover tot zijn voorhoofd de eettafel raakte. Hij probeerde niet te janken maar veel scheelde het niet.

    ‘Hé.’ Zijn moeder gaf een kneepje in zijn schouder. ‘Wat het ook is, het komt vast weer goed.’

    Waarom wilden volwassenen je altijd geruststellen alsof je nog een kleuter was?

    ‘Hoe weet jij dat nou?’ Mick had meteen al spijt van zijn uitval. Zijn moeder kon er niets aan doen dat Jerro in het ziekenhuis lag.

    Als hij er lag.

    Mick wilde opstaan. ‘Ik moet bellen.’

    Zijn moeder drukte hem terug op de stoel, kwam naast hem zitten en legde haar hand op die van hem. ‘Vertel nou eerst eens rustig wat er is.’

    Mick begon te praten. Niet rustig maar snel, zodat zijn tong soms over de woorden struikelde. Over Jerro. Over de vrouw achter de balie die beweerde dat hij niet binnen was gebracht.

    ‘En nu…’

    ‘Ik bel wel even.’ Zijn moeder haalde haar mobiel uit haar jaszak en zocht in het telefoonboekje. ‘Kasia, ben jij dat? Je spreekt met de moeder van Mick. We willen graag weten hoe het met Jerro is.’

    Mick keek naar zijn moeder. Hoe ze knikte en een verdwaalde haarpiek achter haar oor stak. Ze zag er niet overdreven ongerust uit.

    ‘Maar hij is naar het ziekenhuis gereden en Jerro was er niet,’ zei ze na een tijdje.

    Mick ging rechter zitten.

    ‘Wel?’ Zijn moeder zweeg weer even. ‘Misschien heeft hij het dan verkeerd begrepen.’

    ‘Wat?’ Mick kreeg zin om de telefoon uit haar hand te rukken.

    ‘Jerro is wel degelijk opgenomen.’ Ze schreef met een onzichtbare balpen in de lucht.

    Mick vloog al overeind om papier en pen te pakken.

    ‘Afdeling Oost,’ zei zijn moeder. ‘Kamer twee-nul-vier.’

    Mick noteerde het nummer. ‘Ik ga hem meteen opzoeken.’

    ‘Morgen pas?’ vroeg de moeder van Mick. ‘Maar wie is er dan bij hem? Zijn ouders zijn toch…’ Ze maakte hummende geluiden. ‘Goed. Ik zal het zeggen. Dag Kasia.’ Ze legde de telefoon op de eettafel.

    ‘Breng je me met de auto?’ vroeg Mick.

    ‘Morgen.’ Zijn moeder stond op en trok haar jas uit. ‘Jerro is nu nog te ziek om bezoek te ontvangen. Ze denken dat het een voedselvergiftiging is. Maar je hoeft je niet druk te maken, hij is in prima handen. Volgens de artsen reageert hij goed op de behandeling.’

    Morgen pas.

    ‘Maar dat duurt nog hartstikke lang,’ zei Mick wanhopig. ‘Ik weet zeker dat hij het fijn vindt om een bekend gezicht te zien. Zijn ouders zijn er ook al niet en…’

    Zijn moeder zuchtte. ‘Ik weet het, schat. Het is allemaal heel vervelend, maar in het ziekenhuis weten ze vast wel wat het beste voor Jerro is.’

    Mick onderdrukte de neiging om ergens tegenaan te trappen. Was hij maar niet zo ongeduldig geweest. Hij had gewoon in de ziekenhuishal moeten wachten zodat hij een poosje later nog eens bij de balie had kunnen informeren. Dan was Jerro alsnog opgedoken en zou Mick nu hoogstwaarschijnlijk bij zijn vriend zijn.

    ‘Kop op, joh.’ Zijn moeder streek door zijn haar.

    Mick was nog steeds behoorlijk pissig en dook opzij. ‘Ben even weg,’ bromde hij.

    ‘Je gaat niet naar Jerro, hoor,’ waarschuwde zijn moeder.

    ‘Alleen naar zijn huis. Mijn telefoon ophalen.’ Mick sloeg de achterdeur met een klap achter zich dicht.

    Het was vreemd om alleen in Jerro’s kamer te zijn. Mick raapte de boeken en schriften op die hij eerder die middag van het bureau had geschoven. Zijn mobieltje vond hij op het bed. Hij liet het in zijn zak glijden. Bij het hoofdeinde lag ook nog een opengeslagen stripalbum. Hij zag weer voor zich hoe Jerro vanmiddag op zijn buik had liggen lezen: steunend op zijn ellebogen, met zijn kin op zijn handen. Mick zou al na een paar minuten nek- of rugpijn krijgen, maar Jerro kon deze houding gemakkelijk een uur volhouden. Nou ja, behalve vandaag dan.

    In de linkerpagina van het album zat een vouw. Waarschijnlijk was Jerro er per ongeluk op gaan liggen toen hij bewusteloos raakte.

    Mick pakte het album en streek over het papier. Dit zou Jerro niet leuk vinden. Hij bewaakte zijn stripverzameling alsof het goudstaven waren. De enige aan wie hij ooit een album uitleende, was Mick. Een eer maar ook een last, want Jerro zei er altijd bij: ‘Ik schop je naar de maan als ik hem niet heel terugkrijg.’

    ‘Ach,’ antwoordde Mick dan. ‘Er zijn beroerdere plekken om naartoe geschopt te worden.’

    Hij sloeg het album dicht, legde het op het bureau en stapelde er andere boeken bovenop in de hoop de vouw er zo uit te krijgen. Intussen dacht hij aan de vrouw achter de informatiebalie. Ze heeft zich gewoon vergist, probeerde hij zichzelf gerust te stellen. Maar het onaangename gevoel dat er iets niet klopte, bleef in zijn maag zitten.
    lucas de vriesciteerde uit2 maanden geleden
    De onverklaarbare gebeurtenissen begonnen op zaterdag elf mei om iets over twee. Mick stond te pissen in de badkamer. Niet zíjn badkamer, maar die van Jerro – zijn beste, of beter gezegd: zijn enige vriend. Behalve van een hangende wc was Jerro ook nog de trotse bezitter van een bad, een douche en twee wastafels met een grote spiegel erboven. In het begin had Mick het enorm komisch gevonden: een slaapkamer met aangrenzende privébadkamer voor een jongen die nog gewoon thuis woont. Maar alles wende. Zelfs de ingebouwde speakers – zodat je kon pissen op muziek.

    Er was een nummer van Armin van Buuren bezig. Mick bewoog zijn hoofd op het meeslepende ritme en neuriede mee. Halverwege ‘keeps me breathing through the storm’ begon Christian Burns ineens luider te zingen. Jerro had de radio zeker harder gezet.

    Sympathiek, vond Mick. Hij perste de laatste druppels urine uit en drukte intussen op de spoelknop. Toen knoopte hij zijn broek dicht en ging de slaapkamer in.

    Jerro lag plat op zijn buik op zijn bed. Zijn hoofd was opzij gedraaid en zijn rechterwang rustte op het dekbed. Daarnet had hij nog liggen lezen, maar nu hield hij zijn ogen gesloten. Dat deed hij wel vaker als hij geconcentreerd naar iets wilde luisteren. Om hem niet te storen, leunde Mick tegen de muur en wachtte tot ‘This light between us’ was afgelopen. Meteen daarna knalde de nieuwe single van Jan Smit de kamer in.

    Die was dus echt niet om aan te horen.

    Mick maakte zich los van de muur en liep naar Jerro met zijn handen tegen zijn oren. ‘Jan-attack! Jan-attack!’ riep hij, terwijl hij deed alsof hij hevige pijnen leed.

    Jerro reageerde niet, zelfs niet met een ingehouden lachje. Hij bleef doodstil liggen alsof hij bewusteloos was.

    Een grapje natuurlijk.

    O ja? fluisterde een ongerust stemmetje in de krochten van Micks hersens. Daarom schudde hij voor de zekerheid toch maar aan Jerro’s schouder, eerst zacht en daarna steeds harder tot hij ten slotte met twee handen wanhopig aan allebei de schouders stond te rukken en door die klereherrie van een muziek heen riep: ‘Hou op, dit is niet leuk meer!’

    Het hielp geen zier. Mick had net zo goed aan een zak aardappelen kunnen schudden. Toen barstte er een lawine aan ongeruste stemmetjes in hem los en kwam de paniek.

    Hij rende de kamer uit. Tenminste, dat probeerde hij, maar zijn benen waren in een soort deeg veranderd waardoor hij alleen nog kon strompelen. Hij smeet de deur open en sleepte zichzelf naar de overloop. ‘Meneer en mevrouw Prins!’

    Sukkel. Die waren er niet.

    ‘Kasia! Alfred! Iemand!’

    Hij keek over de balustrade maar zag niemand in de gigantische hal.

    ‘Kom vlug! Er is iets met Jerro!’ riep hij nu nog harder.

    Er kwam nog altijd geen reactie. Voor het eerst in zijn leven haatte Mick het huis van de familie Prins. Als iemand bij hem thuis een scheet liet, kon je het bij wijze van spreken zelfs op zolder horen. Maar in dit paleis met zijn hoge plafonds, brede gangen en verre kamers was elk geluid als een steen die op een kussen viel.

    Het hielp trouwens ook niet echt dat Jan Smit erdoorheen blèrde.

    Met nog steeds dezelfde deegbenen liep Mick de slaapkamer weer in.

    Rustig blijven. Zijn kop erbij houden. Eerst moest die stomme radio uit.

    Met één druk op de knop snoerde hij Smit de mond. Toen liep hij terug naar de overloop.

    ‘Help me dan toch!’ schreeuwde hij bijna wanhopig.

    De hal bleef uitgestorven.

    Wat moest hij doen? Als hij hulp ging halen, zou hij Jerro alleen moeten laten. En wie weet hoe lang het duurde voordat hij iemand gevonden ha…

    Bellen! Hij kon een ambulance bellen!

    Mick tastte in zijn broekzak naar zijn mobieltje.

    Het was er niet!

    Voor de tweede keer ging hij de slaapkamer in. Jerro lag nog steeds roerloos op bed. Mick kreeg het gevoel dat hij moest kotsen. Waar was die stomme telefoon nou?

    Het bureau! Hij schoof haastig boeken en schriften opzij. Sommige vielen met een klap op de grond. Pennen. Jerro’s agenda. Maar geen telefoon. Mick liet zijn blik ronddwalen. Vloer, kast, muur. Daar! Op de vensterbank!

    Zijn hand was klam van het zweet.

    Intoetsen. Eerst de 1…

    Zijn wijsvinger leek de wijsvinger van iemand anders. Een onwillig lichaamsdeel dat hij radiografisch moest zien te besturen.

    Nog een keer de 1.

    In de deuropening verscheen Kasia, de Poolse hulp. Ze was er ineens, zoals gewoonlijk – waarschijnlijk droeg ze een speciaal soort schoenen met geluidloze zolen, want je hoorde haar nooit aankomen.

    Mick huilde bijna van opluchting. ‘Jerro…’ Hij knikte naar het bed. ‘Ik bel 112.’

    Kasia trok ogenblikkelijk het mobieltje uit Micks hand. ‘Ik bel. Jij Carl zeg poort openmaak.’

    Mick moest even omschakelen en bleef roerloos staan.

    Kasia ging op het bed zitten en voelde Jerro’s pols. De telefoon hield ze behendig tussen haar schouder en oor geklemd, zodat ze intussen de hulpdienst kon informeren. Ze noemde Jerro’s naam, zijn leeftijd en het adres. ‘Leef nog. Snelle hartslag maar erg ziek. Ambulance moet vlug koom…’

    Mick kon zichzelf wel slaan. Dadelijk stond de ambulance voor de poort en dan was hij nog dicht!

    Hij rende de kamer uit. Haast en ongerustheid gingen niet goed samen. Hij nam de bocht naar de overloop te krap waardoor hij zijn schouder aan de deurstijl bezeerde, gleed bijna van de trap af en wilde al door de voordeur gaan voordat hij hem ver genoeg geopend had.

    Buiten scheen de zon alsof er niets aan de hand was. Mick rende over het gemaaide gazon, langs de rechthoekige vijver met koikarpers en stoof toen de oprijlaan op. Het grind knerpte onder zijn schoenen. Hij was geen atletisch type. Zijn hart bonkte en hij hoorde zichzelf hijgen. Gelukkig boog het pad al snel naar rechts. Hij rende om de rij met coniferen heen en het portiershuisje kwam in zicht.

    Carl had Mick blijkbaar aan zien komen want hij stond al buiten te wachten.

    ‘Er is iets met Jerro!’ riep Mick. ‘We hebben 112 gebeld. Je moet de poort vast opendoen zodat de ambulance meteen kan doorrijden!’

    Carl verdween in het huisje en even later schoof het reusachtige, elektronische hek open. Toen Mick het voor het eerst in werking had gezien, was de naam Stargate meteen bij hem opgekomen. Als je door de poort naar binnen ging, verliet je de gewone mensenwereld en kwam je in de wereld van de sterren terecht. Nou ja, niet dat de ouders van Jerro bekend waren van tv of van films of zo, maar het bedrijf van meneer Prins was wel heel beroemd en daarom bulkten ze net als echte Hollywoodsterren van het geld.

    Mick liep de gewone mensenwereld in en tuurde de straat af. Carl kwam zwijgend naast hem staan; zijn voeten breed en onverzettelijk. Hij straalde een en al norsheid uit, maar waarschijnlijk was dat enkel bedoeld om eventuele indringers af te schrikken.

    Mick duwde zijn nagels in zijn handpalmen. Waar bleef die ambulance nou?

    Ondanks de warme zonnestralen op zijn rug kreeg hij het koud. Wat was er met Jerro gebeurd terwijl hij in de badkamer was? Vlak daarvoor leek er nog niets aan de hand te zijn. Jerro had zich niet misselijk of ziek gevoeld. Kon je dan toch zomaar ineens…

    Mick dacht aan een stripverhaal dat hij pas had gelezen. Over buitenaardse spinnen die stiekem onder je kleren kropen en het leven uit je zogen.

    In de verte klonk een sirene.

    Eindelijk!

    Mick liep alvast de lange oprit op. Hij moest maken dat hij op tijd bij de voordeur was, dan kon hij het ambulancepersoneel de weg wijzen.

    Het gezicht van de chauffeur deed Mick aan een maanlandschap vol kraters denken, en de verpleger had zulke grote handen dat hij eerder op een bouwvakker leek.

    ‘Ik breng jullie naar Jerro’s kamer,’ zei Mick.

    Weinig kans. Kasia stond al in de hal en nam de regie over.

    ‘Kom.’ Ze wenkte als een verkeersagent met allebei haar armen. ‘Kom, kom.’

    Maanlandschap en Groothand gingen met de brancard de trap op. Mick wilde hen volgen, maar Kasia commandeerde: ‘Jij hier blijf.’

    Micks opluchting maakte plaats voor irritatie. Hallo! Híj had Jerro gevonden. Het was zíjn vriend. Toen drong het tot hem door dat Jerro echt niet zou merken of hij erbij was of niet.

    Maar als hij straks bijkwam wel!

    ‘Ik wil mee naar het ziekenhuis,’ zei Mick zodra ze met Jerro op de brancard voorzichtig weer naar beneden kwamen.

    ‘Ben je familie?’ vroeg Maanlandschap.

    ‘Nee, dat niet maar…’

    ‘Alleen familieleden mogen met de ambulance meerijden,’ zei Groothand.

    Tranen jeukten achter Micks ogen. ‘Maar zijn ouders zijn het hele weekend weg. Als ik niet mee mag, is Jerro straks helemaal alleen als hij bijkomt.’

    ‘Het spijt me. Regels zijn regels.’ Groothand glimlachte op dezelfde manier als Buiks van wiskunde wanneer Mick een opgave niet begreep. ‘Maar ik beloof je dat we goed voor hem zullen zorgen.’

    Kasia legde haar slanke hand op Micks mollige arm. Dat kalmeerde hem net voldoende om niet te ontploffen.

    Jerro werd naar buiten gedragen en in de ziekenauto geschoven. De portieren sloegen met een klap dicht. Micks ogen gleden langs het nummerbord. De laatste lettercombinatie was ms. Mick Schipper, dacht hij automatisch. Daarna vergat hij het meteen weer.

    De mannen stapten in en de sirene begon te loeien. De wielen draaiden diep in het grind, steentjes spatten op en toen reden ze met een noodgang weg.

    Kasia sloot de voordeur. Na alle herrie en opwinding van daarnet, leek het ineens oorverdovend stil in de hal.

    ‘Jij beter huis gaan,’ zei Kasia toen. ‘Ik meneer en mevrouw Prins bel.’

    Mick knikte, maar hij had heel andere plannen. De ouders van Jerro waren in Londen. Het zou nog een hele poos duren voordat ze in het ziekenhuis konden zijn. Gelukkig was hij vanmorgen op de fiets hierheen gekomen. Als hij flink doortrapte, kon hij over een kwartier aan Jerro’s bed zitten.

    Het ziekenhuisgebouw bestond uit grijze stenen en heel veel glas. De entree was een glazen pui met een draaideur die tergend langzaam bewoog. Mick ontweek een man met krukken en haastte zich naar de informatiebalie. Er zat een vrouw achter een computerscherm. In haar rechtervoortand fonkelde een diamantje.

    ‘Hallo,’ zei ze. ‘Kan ik je helpen?’

    ‘Mijn vriend is net met de ziekenwagen hierheen gebracht.’ Mick was nog buiten adem van het fietsen. ‘Jerro Prins. Ik wil graag weten hoe het met hem is.’

    ‘Hmmm.’ Ze deed iets op de computer. ‘Jerro Prins, zei je?’

    ‘Ja.’ Mick knikte er zijn hoofd bijna af.

    ‘Het spijt me, maar er is niemand binnengebracht die zo heet.’
    KingTHEgamer YTciteerde uit6 maanden geleden
    In de deuropening verscheen Kasia, de Poolse hulp. Ze was er ineens, zoals gewoonlijk – waarschijnlijk droeg ze een speciaal so

Op de boekenplanken

    Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum
    Unieboek | Het Spectrum
    • 583
    • 3
fb2epub
Sleep je bestanden hiernaartoe (maximaal 5 per keer)