aanviel, zoals de Wolfsvleermuizen die ’s nachts tevoorschijn kwamen en altijd te dicht bij haar vaders fort rondvlogen. Ze schroomde niet om die af te schieten, zeker niet nadat haar jongere broertje Aidan een halve maan ziek was geweest door de beet van een Wolfsvleermuis. Bovendien waren het de snelste wezens die er waren, en ze wist dat als ze er een kon raken, zeker ’s nachts, ze alles kon raken. Ze had ooit een hele nacht doorgebracht bij volle maan en pijlen afgevuurd vanuit haar vaders toren. Bij zonsopkomst was ze naar buiten gerend, en de grond was bezaaid geweest met tientallen Wolfsvleermuizen. Haar pijlen zaten er nog in, en de dorpelingen hadden zich verbijsterd verzameld rond de dode beesten.
Kyra dwong zichzelf om geconcentreerd te blijven. Ze liet het schot voor haar geestesoog voorbijkomen, zag zichzelf haar boog optillen, hem spannen en hem zonder te aarzelen loslaten. Het echte schieten, wist ze, gebeurde voor het schot. Ze had te veel boogschutters van haar eigen leeftijd gezien, in hun veertiende jaar, die hun boog spanden en twijfelden, en ze wist dat hun schoten dan verloren waren. Ze haalde een keer diep adem, hief haar boog, en in één beslissende beweging trok ze terug en liet ze los. Ze hoefde niet eens te kijken om te weten dat ze de boom had geraakt.
Een moment later hoorde ze het geluid van de inslag, maar ze had zich al afgewend, op zoek naar een ander doelwit, een dat verder weg stond.
Kyra hoorde een zacht gejank en keek neer